Ik ben trots op het kleedje, niet op de oude foto.
(Lees volledig artikel)Ik sta voor mijn kleerkast en ik weet altijd wel wat aan te doen. Dat mag wel, met zo’n waslijst aan kledingstukken. Ruim 100 stuks in totaal, ondergoed, sokken en slaapkleedjes – zelfs mijn Tweety-pyjamabroek - nog niet eens meegerekend. Laat staan dat ik mijn aantal schoenen zou prijsgeven.

Toegegeven, een groot deel van dat aantal zijn kleren die mijn kast al jaren bevolken. En nog altijd zitten ze niet gewoon stof te vergaren: ik draag mijn Tiroler hemdjurkje van Mango nog steeds evenveel als zeven jaar geleden. Of was het acht?

Mango, of beter gezegd overkoepelende modegigant Inditex, heeft niet zo’n goede reputatie op vlak van eerlijke werkomstandigheden. Volgens de Schone Klerencampagne gaat het om een ‘zwart’ merk, “een bedrijf dat vrijwel niets doet om ervoor te zorgen dat werknemers een leefbaar loon krijgen”.

Of dat een reden is om het kleedje dat ik, ondanks de pseudo-schouderpads waar Trinny en Susannah al aan het prille begin van dit millennium voor waarschuwden en de minstens even gedateerde witte onderrok die maar al te vaak komt ‘piepen’, zowel in de winter als in de zomer durf aan te doen, naar de vuilbak te verbannen, betwijfel ik echter.

Ook de enige jeans die nog in mijn kleerkast hangt, een laag model van het poepchique maar evenmin koosjere merk Levi’s, heb ik nog niet naar de kringwinkel gebracht, ook al heb ik er zo eentje vlak om mijn hoek. Die doe ik nochtans veel minder aan, nu ik voor mijn werk vaak naar de rechtbank moet en mij onder modieuze advocaten begeef. Jeans is bovendien een van de meest milieuvervuilende stoffen en het vormt een risico voor de gezondheid van arbeiders die de broeken naar de trend van het moment omzetten. Zeker nu jeans volgens de boekskes de trend van de zomer blijkt te zijn, iets om bij stil te staan.

Denim wordt meestal gemaakt van een basisvezel zoals katoen of van een mengvezel met katoen en bijvoorbeeld de synthetische vezel elastaan. Die maakt je broek elastischer. Mijn jeansbroek is bijvoorbeeld gemaakt uit 85 procent katoen, en 15 procent elastaan. Zodat ik er nog in geraak na dat pakje friet, weet u wel.

Die katoendraden moeten gesponnen, gebleekt en geverfd worden. Daarna volgt nog een hele reeks bewerkingen, die veel energie, water en producten vergen. Die stappen zijn vaak erg schadelijk. Om jeans af te bleken gebruiken arbeiders bijvoorbeeld een kankerverwekkend chloor. Om hem er helemaal versleten uit te laten zien, wordt de jeans bespoten met zandkorrels onder hoge druk. Zo kan de blauwe kleur nog verder afgebleekt worden. Veel arbeiders zijn niet beschermd tijdens dat proces en kunnen zo een acute stoflong oplopen, die in sommige gevallen dodelijk is. Zo afgebleekt is mijn jeans gelukkig niet. Maar hij zal sowieso wel iemand, ergens, schade toegebracht hadden. Pijnlijk om te beseffen, maar dankjewel om ons met de neus op de feiten te drukken, fair fashion challenge nummer 1.

Sinds Rana Plaza beseffen we immers maar al te goed: in onze kleerkast hangen stuks die misschien wel de dood van iemand anders veroorzaakt hebben. Dat zei duurzame mode-experte Dilys Williams vorig jaar nog tegen mij. Nu zijn we een jaar verder, een verjaardag verder, en wordt het dringend tijd om in actie te schieten. En dat doe ik niét door mijn kleerkast uit te kuisen.

Fair fashion challenge nummer 2 gebiedt mij om minder te kopen. Consumeren is immers niet duurzaam. Ik ga de foute kleedjes en bleke broeken niet zomaar wegdoen, want anders heb ik straks niets meer om aan te doen en moet ik meteen al die challenge doorbreken. In plaats daarvan richt ik mij op het tweede deel van de tweede challenge: als je koopt, koop dan fair en tweedehands. Daarom lijst ik even mijn goede voornemens op voor de rest van het jaar. Nieuwjaar is al even gepasseerd, maar Bengalees nieuwjaar was vorige week nog maar pas, op 14 april, dus dat kan er wel mee door. Mijn nieuwjaarswens is om één stuk per seizoen aan te schaffen. Een fair stuk, dat iets meer mag kosten, omdat mijn portefeuille niet geplunderd zal zijn door impulsaankopen.

Nog zo’n goed voornemen is om echt onderzoek te voeren naar wat er juist in mijn kast hangt. Daarover schrijf ik tussen nu en het Fair Fashion Fest op 9 oktober een vijftal onderzoeksartikels over de challenges. Ik wil duiken in de wereld van grondstoffen en de weg die zo’n vezels afleggen tot ze in mijn kleerkast belanden. Op het Fair Fashion Lab gaan we het over jeans hebben, maar zo heb ik er maar eentje. Ik wil weten wat er schuilgaat achter dat niet-biologisch katoen, die synthetische vezels in de schouderpads van mijn Mango-hemdjurk en ook wel dat no waste-kleedje van Malahierba dat ik een paar weken geleden bij Mieke op de kop tikte en waar ik vandaag in ronddartel. Zie, dat was al mijn enige aankoop voor de lente.

Dat dit moeilijk wordt, zie ik dus nu al. Bovendien ga ik deze zomer familie bezoeken in Londen: als ik in Shoreditch of door Carnaby Street wandel, ga ik mij so-wie-so niet kunnen bedwingen. Misschien moet ik ook van zo weinig mogelijk window shopping een voornemen maken?
Lynn.
(Lees volledig artikel)De Fair Fashion Challenges aangaan was voor mij een uitdaging die ik met een glimlach aanvaardde.

Na een verontwaardigde spreekbeurt over de kledingindustrie op mijn zeventiende, de recente Primark-commotie en het zien van The True Cost werd het tijd om mijn walging en frustratie te bundelen. Ik ga ervan uit dat ook de lezer van dit artikel al wat geïnformeerd is over de wrede ecologische en sociale praktijken die met de productie van onze kledij gepaard gaan. De moraalridder in mij leg ik even het zwijgen op. Mijn vrienden werden het beu als ik ze na de aankoop van een kledingstuk vroeg naar bloedsporen of naar een ingenaaid ‘HELP ME’ etiket. Met het volgende 'Fair Fashion Fest’ in het vooruitzicht is het echt wel tijd voor actie! Ik wil via mijn blogberichten de bewustwording en moeite van een steeds groeiende bevolkingsgroep eens positief in de kijker zetten.

Rebels lap ik even de volgorde van de uitdagingen aan mijn laars om op de tweede Challenge in te gaan. Ik koop voortaan alleen nog maar eerlijke mode of tweedehands. Challenge accepted! Mijn werkloos statuut heeft er bovendien voor gezorgd dat emotionele compensatie- of impulsaankopen voor ondertekende even niet aan de orde zijn. Druppelsgewijs ontpop ik mij tot ik een doordachte consumente. Enkele uitzonderlijke aankopen waar ik achteraf vaak spijt van krijg wat prijs/kwaliteit betreft bevestigen de regel. Zal ik dan helemaal niets meer kopen tot oktober? Ik overweeg misschien wel zo een hip paar baskets van Veja te kopen. Koploper People Tree spreekt mij ook erg aan omdat zij o.a. lokaal gaan investeren in duurzaam onderwijs en betere omstandigheden voorzien voor de arbeiders in confectielanden.

Maar omdat veel eerlijk geproduceerde kledij boven mijn budget uitstijgt hou ik het voortaan bij tweedehands. Kleren krijgen een tweede kans en zo vertragen we hun cyclus naar de afvalberg of naar de verwerking via (nu nog) moeizame recyclage processen. Om mijn speelse geest doorheen mijn kledij te uiten heb ik af en toe wel zin in iets 'nieuws’. De oma- of mottenballengeur van sommige modeartikelen zie ik even over het hoofd. Marmod heeft een hele leuke collectie die met veel zorg en aandacht is samengesteld. Bovendien kan je er nog een drankje, lokale kunst of soms zelf een concertje meepikken. In Think Twice gaat het er wat bonter aan toe, ideaal voor mijn hungry eyes naar verrassende stuks. Bij mijn lievelings vintage adresjes in Gent shoppen, maakt mij altijd vrolijk. Eerlijk, ik lach mij dood als ik met bepaalde stukken voor de spiegel sta, en mijzelf niet te serieus hoef te nemen. Looking for some hot stuff babe. De schroom van wat anderen van mij zullen denken voorbij. Af en toe schuim ik nog eens een closet sale af op zoek naar dat éne true colors kledingstuk dat mij kenmerkt.

Het lijkt op bepaalde momenten de bedoeling dat ik zelf verrast word door de kledij en de combinaties uit mijn kast. Vaak blijkt achteraf dat het just an illusion was. Soms schaamtelijk, soms geniaal, maar altijd geschikt om de ster te zijn op een leuke gelegenheid. Wat als we nu eens allemaal losser omgingen met kledingnormen? De zomer lonkt. Ik zie mijzelf al nippen van mijn drankje voor een openluchtconcert met mijn superswag zonnebril, mijn gespikkelde taillerok in schreeuwerige tinten en daarboven een geknoopt hemd. Pittige combinaties van kleuren, getailleerde stuks en allerhande spontane patronen zijn echt mijn ding.

Een niet onbelangrijk detail is dat deze kleren dateren uit een tijd waarin de stoffensamenstelling van kleren gevarieerder was. Goede merken wilden simply the best voor hun klanten. Dat geeft mij een ander gevoel dan de overheersende polyester die je nu niet kan wegdenken uit winkelrekken en die stinkt bij de minste zweetgeur. Niet voor niets gaf ik overlaatst een eighties feestje. De nostalgische ondertoon van vrijheid en zelfexpressie, zie Flashdance, van de jaren tachtig spreekt tot mijn verbeelding. Zelf mijn ontembare haardos past in die tijdsgeest! Ook mijn gasten moesten hun zin vinden in thrift shops (of in mijn kleerkast) en hadden de smaak maanden op voorhand al te pakken. Freddy Mercury en David Bowie waren aanwezig, under the pressure van mijn hoge eisen. Het werd een uitbundig feestje met legendarische limbodansmoves en iedereen droeg zijn sunglasses at night. Maar het was vooral zeer ethisch allemaal. Hopelijk heeft de ecologische trend nu ook de way to your heart gevonden.

Volgende keer zal ik verder ingaan op Challenge nummer een, hold dus the line.

Volg Lynn ook op http://lynn-devos.tumblr.com.
Fei Lauw
(Lees volledig artikel)Zoals iedereen bezwijk ik wel eens voor de lokroep van een nieuwe, nutteloze handtas of een accessoire voor in huis. Maar laten we zeggen dat dit zeer beperkt is. En hormonaal gerelateerd. Ik houd nu eenmaal niet van een overdaad aan spullen. Ik heb een afkeer van hamsteren en krijg ademhalingsproblemen bij het bekijken van programma’s zoals Extreme Hoarders. Het feit dat we drie jaar geleden een beetje de broeksriem moesten aanspannen doordat we gelijktijdig een kind en – strakke planning – een huis kochten, draagt er ook aan bij.

Bovenal heb ik een grondige hekel aan overconsumptie en het overaanbod in onze maatschappij. Hier komt de preek, jawel. Te veel soorten fruit dat geen seizoensfruit is. Te veel soorten vlees en zogeheten delicatessen als kangoeroe en foie gras. Te veel wegwerpkleding die na een seizoen alweer uit de mode is. Te veel technologische snufjes: tv’s met bewegingssensor, telefoons die een eigen leven leiden en je huis controleren op alles. Ooit neem ik een tattoo waarop staat: fuck apps, use brains.

Ik probeer ook minder kleren te kopen. Zo ben ik bijvoorbeeld lid van een Facebookgroep genaamd Hustlin’. Ik dacht eerst: leuk! Het lijkt op Swishing, je kunt er tweedehands kleren verhandelen. Het is een goed initiatief, maar ook een bron van ergernis. Want wat zijn er veel kleren en schoenen die deze jonge meiden aanbieden en vooral zoeken. De kleren worden voor een prikje verkocht, want de aankoopprijs bedraagt zelden meer dan 20 euro en komen van Primark, H&M, Zara… In plaats van die dingen te kopen en dan snel weer te verhandelen, koop je ze misschien beter niet. Waarom binge-kopen in de Primark om thuis te ontdekken dat je het a) al hebt (echt waar…) b) niet past c) niet je kleur is d) all of the above. Los daarvan is Hustlin’ wel een goed initiatief dat aansluit bij mijn anti-wegwerp mentaliteit.

Preken over overconsumptie is namelijk gemakkelijk, maar ik probeer er ook actief iets tegen te doen. Ik vervang een voorwerp niet, zolang het functioneert. Daar leef ik naar.
Mijn voorgenoemde gsm is daar een boegbeeld hiervan. Ik bezit nog een Blackberry, eerste generatie. Ik hou van de toetsjes, want ik ben een sms-er, geen beller. Touchscreens bezorgen mij mini-beroertes. Mijn BB is mijn handlanger, ook al hangt er plakband aan omdat de batterij er anders los uit uitvalt, maakt hij vreselijke, korrelige foto’s, kan hij geen MMS-en ontvangen en vindt hij het Wifi- signaal zelden tot nooit. Ik vind dat geweldig. Moet ik altijd op internet kunnen? Nee. Zou dat handig zijn? Zonder twijfel, maar dat zijn geduld en vindingrijkheid ook.

Mijn auto, gedoopt Nikita, is met 17 jaar een ondeugende tiener. Steekt met gemak nog andere jongere exemplaren voorbij, bolt als een goed geoliede bolide hoort te bollen (dank aan de garagist) en past bij mij: old school, zwart, beetje scruffy maar stijlvol, met een hoekje af dankzij een occasioneel obstakel in de blinde hoek. Een maand geleden had Nikita kuren: tijd voor een dure onderhoudsbeurt. Ik heb getwijfeld om haar te verkopen, maar ze is er nog steeds en vinniger dan ooit.

Ons interieur is ook bijna uitsluitend tweedehands. Dat is er van dichtbij aan te zien, maar in een tijdperk waarin vintage heter dan heet is, valt men niet over een krasje. De eettafel is 70’s space-age, de zetel vrij nieuw maar werd door een renoverend stelletje doorverkocht aan ons. Boekenkast: tweedehands.be. Enkele familiestukken zoals een berber-tapijt van mijn oma, tuintafel van mijn ouders, mijn vaders niet zo platte flatscreen, een oude schoolbank waar de kids huiswerk aan maken,… De lijst van tweedehands spullen is lang. Die van de nieuwe aankopen is een pak korter: het bed van mijn zoon, twee staande lampen, een bureaulamp en enkele rekken en kastjes van de Ikea. De badkamer is in opbouw en behalve het toilet en de kranen zullen we de meubels upcyclen. In onze living tenslotte staat een fraai exemplaar van wat je met afbraakmateriaal kan doen. De bank waarop de stereo (die binnenkort 21 kaarsjes mag uitblazen) en platenspeler prijken, stak mijn man ineen: drie houten planken, een pot witte lakverf en wat oud ijzer. Ta-daaa!

Zelfs onze hond is ‘tweedehands’. Waarom een hond bij een fokker halen als er genoeg lieve honden op een tweede leven wachten in het asiel? MacGuyver is dus geadopteerd en was 9 maanden toen hij ons vervoegde.
De anti-wegwerpmentaliteit hoeft niet alleen betrekking te hebben op je kleerkast. Het gaat ook verder dan een etiketje scannen op ‘Made in Bangladesh’. Onze spullen worden daar gemaakt, spotgoedkoop en aan een moordend tempo, omdat er vraag naar is. ‘Daar’ is Pakistan voor je kleren, China voor je smartphone. Dat kunnen we alleen veranderen als we ons algemene attitude ten opzichte van aankopen bijstellen.

Stel jezelf simpelweg de volgende vragen: Heb ik dit echt nodig? Kan ik perfect leven zonder een nieuwe versie van dit voorwerp? Gevolgd door: Is het van goede kwaliteit? Zal het, met andere woorden, een tijdje mee gaan? Bestaat er een biologisch of fairtrade alternatief? Om de ultieme knoop door te hakken kan je jezelf tenslotte afvragen: Word ik hier blijer van? En zo ja: voor hoe lang? Koop dan pas. Dat is een challenge waartoe ik mensen graag zou willen uitdagen.

Fei Lauw schreef dit artikel voor het online magazine Charlie - www.charliemag.be - naar aanleiding van de lancering van de Fair Fashion Challenges.
Hilde Fiets
(Lees volledig artikel)De komende weken wil ik me verdiepen in de Fair Fashion Challenges. Stap één van Challenge #1 luidt: 'Tel het aantal kledingstukken dat je hebt'. De bedoeling is dat je ook even blijft stilstaan bij elk kledingstuk en je afvraagt waar je dat ook alweer gehaald hebt. Draag je het vaak? En weet je wie het gemaakt heeft?

Ik begon enthousiast te tellen en kwam uit op 124 stuks. Dat vind ik best meevallen, al is het wel een heleboel als je het opgeteld ziet. Wat me meteen opvalt is dat ik toch een dertigtal t-shirts en bloesjes blijk te hebben, dat terwijl ik vaak denk dat dat net ontbreekt in mijn garderobe. Het telwerk was leerrijk want ik kwam ook nog eens op het bovenste schap van mijn kast terecht. Ik meet amper 1m60 en wegens te lui om er een trapje bij te halen, durf ik op dat bovenste schap al eens kledingstukken te gooien die ik niet meteen nodig heb (shortjes in de winter, sjaals in de zomer). Ik vond er 3 paar handschoenen, en vind het bijna jammer dat de temperatuur dezer dagen boven de twintig graden stijgt. Bijna, zei ik.

Naast de toevallige ontdekking van vergeten stuks leverde het telwerk ook een terugkeer naar memory lane op. Hoeveel herinneringen hangen er niet vast aan mijn kledij! Over mijn tot rokje omgetoverde galajurk had ik het eerder al, maar ik realiseerde me dat er aan veel kleedjes een verhaal hangt. Ik weet nog precies op welke feestjes ik wat gedragen hebben, en wat ik aanhad op welke begrafenis.

Veel kledingstukken met een verhaal, maar dus ook veel kleren die al een tijdje meegaan. Een erfenis van eerdere, onbezorgde tijden, toen ik tijd en geld had om te kopen waar ik zin in had. Toen ik pas werkte en nog thuis woonde, moet ik zowat maandelijks uitgegeven hebben wat ik nu op zes maanden spendeer. Ik heb het grote geluk amper bij te komen en heb dus nog altijd dezelfde kledingmaat als toen. En nog beter, ook mijn voeten zijn niet meer gegroeid! Ik kocht in die tijd voornamelijk vrouwelijke schoenen en laarsjes en jurkjes, gelukkig vaak tijdloos. Omdat ik zo veel spullen kocht, wisselde ik vaak af, en zien de stukken die de tand des tijds hebben doorstaan er zo goed als nieuw uit.

Als bewuste consument ben ik uiteraard niet trots op mijn verleden als koopjesjager, maar ik denk dat iedereen door zo'n fase heen moet op zijn weg naar het volwassen-zijn. Ik was in die tijd heel onzeker, de overgang van student naar de échte wereld vond ik best moeilijk. Om me goed te voelen ging ik shoppen, een reactie die jullie wellicht herkennen.

Maar terug naar de kleerkast van vandaag! Naast een aantal vrij oude stuks, ontdekte ik toch ook een behoorlijk aantal tweedehands-spullen. Ik was me hier zelf niet van bewust, maar op dat vlak scoor ik dus al best goed. Voorlopig heb ik maar één stuk van mijn nieuwe favoriete winkel Dimanche à Bamako in mijn kast hangen. Zij gaan er prat op dat hun kledij fair trade en eco-friendly is, helaas merk je dat ook aan de prijs. Het is wel de bedoeling dat ik op termijn zal evolueren naar minder kledingstukken van een betere, eerlijke kwaliteit. En dat je me dus wat vaker zal kunnen spotten in schone kleren-boetieks.

Blijft er nog een grote hoop kleding-met-onzekere-afkomst over. Ik kom de laatste jaren amper nog in de winkelstraten en je vindt dus weinig H&M, Zara,... in mijn kast, maar ook in kleinere kledingwinkels vind je soms stukken van grotere ketens. Zo heb ik een aantal stuks van Vila en Only. Daarvan moet ik dus eens uitzoeken, hoe goed zij het doen op 'schone kleren'-vlak. En wat met de iets duurdere kleren, waarvan ik steeds hoop dat ze dan ook wel duurzamer zullen zijn? Ziehier dan ook het lijstje van merken die in mijn kledingkast wonen en die ik eens wat nader wil onderzoeken: Vila, Only, Object, S. Oliver, Ichi, Pepe Jeans, Skunkfunk, Kling, Bluttschwester, Mexx, King Louie, G-Star en Essentiel.

Volg Hilde ook op http://tijdvoorietsanders.blogspot.be.
Sarah binnenste buiten
(Lees volledig artikel)‘Koop bij voorkeur niks meer. En als je toch wilt kopen, schuim dan eerst tweedehanswinkels af. Als je toch per se een nieuw stuk wil aankopen, kies tenminste voor eerlijke modemerken.’ Aan het woord geen belangeloze duurzaamheidsgoeroe maar een vrouw die in haar eigen voet schiet. En dat goed en wel beseft.

Toen People Tree-oprichtster Safia Minney in maart naar het Mind The Book-festival kwam in Vooruit om haar nieuwe boek, ‘Slow Fashion. Aesthetics meets ethics’, voor te stellen, was het die respons op een doordachte vraag uit het publiek (‘Is het niet beter om tweedehands te kopen dan People Tree?’) die me het meest is bijgebleven.
Met Safia als inspiratiebron, maar ook met een bang hartje ga ik dan ook de tweede Fair Fashion Challenge – ga voor minder en beter in je garderobe; koop minder, fair en tweedehands – aan met deze blog.
Met weinig kopen heb ik nochtans niet al te veel moeite. Ik beloofde mezelf in een eerste blogbericht alvast dat ik maximaal één kledingstuk per seizoen mocht inslaan dit jaar en hoewel ik getwijfeld heb om die regel niet te laten gelden in het buitenland, heb ik mij tijdens mijn eerste citytrip van dit jaar – Amsterdam – niet laten verleiden door de hippe fair fashion concept stores Charlie + Mary, Geitenwollenwinkel en Studio Jux. Benieuwd of dat ook gaat lukken in Londen, Milaan en New York.

SOMETHING OLD

Mijn relatie met tweedehandswinkels is een ander verhaal. Want nu komt het. Ik moet iets bekennen.
Ik ben een luie shopper. Ik zoek niet graag oeverloos in de winkelrekken tot ik iets zie wat mij wel ligt of past. Ketens zoals H&M en Primark zijn daarom sowieso niet echt aan mij besteed: de hoeveelheid kleren die je daar moet doorploeteren vooraleer je het jurkje van je fast fashion-dromen vindt, is enorm. Hetzelfde geldt dus in principe ook voor tweedehandswinkels.
Bezoekjes aan de kringwinkels en de Think Twices van Gent zijn een schattenjacht. En die schatten zijn vaak in een fijne (al dan niet retro) prints, nochtans hét kenmerk van mijn kleerkast: drukke, vrolijke motiefjes die je eigenlijk niet met elkaar kan combineren, maar dat doe ik lekker toch. Maar vooraleer ik een blauwe droomrok met paarse bloemen (twee kleuren die volgens de regels van de kunst blijkbaar ook niet samengaan, maar ik had al bekend lak te hebben aan die regels) pas die net genoeg tot onder mijn knie komt om op reis te gaan naar een Aziatisch land waar de temperaturen gigahoog oplopen en je toch ‘deftig’ gekleed moet gaan, heb ik eerst het hele rek ondersteboven gekeerd.
Sinds dit vooroordeel de kop opstak, ben ik eigenlijk nog maar amper in tweedehandswinkels gaan shoppen. Enkel handtasjes vind ik er af en toe, maar van de kledingrekken blijf ik veelal weg.
Tot nu.
Want stel je voor dat dit de titel van deze blog zou worden: ‘Tweedehandswinkels enkel goed voor een nieuwe sjakos.’
Daarom ging ik voor mezelf de uitdaging aan. Ik bezocht afgelopen week twee winkels waar ik nog nooit eerder binnengeweest ben: Marmod en House of Vintage. Iets kopen mocht ik niet van mezelf, maar dat belette me niet om een paskot in te kruipen. Kijken mag, aankomen ook, aankopen niet.
Blij verrast wrong ik mijzelf in een kleedje van Springfield, een van mijn favoriete niet-fair fashion merken van de laatste jaren – de bohemien prints doen het voor mij – waar ik mij absoluut niet schuldig over zou moeten voelen mocht ik het toch gekocht hebben, want het is tweedehands en dus duurzaam, de bodemprijzen in de Veldstraat ten spijt. Andere jurkjes die ik aandeed of overwoog uit te proberen – tot ik merkte dat dat ander goed voornemen, gaan voor een (half) maatje minder, mij voorlopig nog niet in een XXXS deed passen – waren van mij onbekende merken. Maar, bedacht ik me, het merk deed er ook helemaal niet toe, om dezelfde redenering: als zelfs Safia Minney zegt dat tweedehands duurzamer is dan nieuwe fair fashion, wie zijn wij dan om moeilijk te doen bij welk merk we kiezen als we het toch een nieuw leven geven?

SOMETHING NEW

Bij nieuwe kleren ligt het evenwel anders: duurzaam is het niet om te blijven consumeren, dus dan kunnen we het maar beter op z’n minst eerlijk/bio/eco houden. En daarvoor moeten we weten welke merken er onder de noemer ‘eerlijk’ vallen, welke kleren van biokatoen gemaakt zijn en welke van gerecycleerde stoffen. Wie zich een fair fashionista wil wanen, moet tegen de waan van de dag in de juiste merken weten te kiezen.
Ik besef dat over fair fashion hetzelfde soort vooroordelen bestaan als diegene die ik had over tweedehandskledij. Veel consumenten vrezen dat fair fashion nog steeds ‘minder mooi’ is dan wat ze in de reguliere winkelstraten vinden, en zijn vaak ook luie shoppers: ze gaan het eerlijke mode-avontuur niet aan. Liever in de winkelrekken graaien van mega (of megalomane) winkelketens, dan. Want eerlijk is toch voor geitenwollensokken?
Dat clichébeeld proberen tientallen Gentse ondernemers al sinds jaar en dag van de kaart te helpen. Hun inspanningen werden gebundeld in de Gentse inspiratiegids voor eerlijke mode. In inspirerende concept stores en webshops wordt duidelijk hoe mooi fair fashion wel niet kan zijn. ‘Want dat is het belangrijkste: niet dat het eerlijk is, maar dat het mooi is, goed zit, dat mensen de kleren willen dragen’, was dé boodschap tijdens een eerste samenkomst voor het textielplatform van Gent Fair Trade. Daar kan ik volledig inkomen: als je fair koopt, maar het toch in je kast laat hangen omdat je het niet supermooi vindt, ben je in principe allesbehalve duurzaam. En kan je dus onmogelijk aan de voorwaarden van de tweede challenge voldoen.
Zelf is mijn enige aankoop dit seizoen – toch op vlak van kleding – een no waste-kleedje van Malahierba, gekocht bij Mieke in de Baudelostraat, lokaal geproduceerd in Barcelona. Het kleedje kostte nog geen 80 euro en toont daarmee bovendien aan dat fair fashion niet peperduur hoeft te zijn. Aan bodemprijzen zullen we inderdaad geen ecologisch verantwoorde kleren kunnen inslaan, dus voor impulsaankopen is fair fashion niet geschikt. Maar ook dat behoort tot de tweede challenge: ons shoppatroon aanpassen betekent ook inzetten op slow fashion, exact de term waaraan Safia Minney haar boek opgehangen heeft.

SOMETHING BORROWED, NOTHING BLUE

Samengevat zou ik mij, zonder het eerste voornemen, niet schuldig voelen als ik een tweedehandskleedje van een fast fashion-keten aankoop of een nieuw van een fair fashion-keten. De utopie is en blijft een combinatie van de twee. Het moment waarop ik tijdens een van mijn volgende schattenjachten in tweedehandswinkels People Tree in de rekken vind, ga ik gillen. Van vreugde, uiteraard.
Gents onderneemster Sophie Devolder, zelf mama van een kleine spruit (Isa, 1 jaar), probeert daar op vlak van kinderkledij alvast iets op te vinden. In navolging van het Brusselse concept Tale Me (www.taleme.be) wil zij een abonnenementssysteem uitwerken waarbij ouders eerlijke kinderkledij – ook nog altijd duurder dan de conventionele merkjes – kunnen huren. Want huren blijft duurzamer dan aankopen. 'We moeten afstappen van de idee dat we iets moeten bezitten', klinkt het motto van Sophie.
Dat soort huursysteem zien we ook terugkomen in de eerste kledingbibliotheek van België, die in april in Antwerpen zijn deuren voor een proefperiode (die binnenkort afloopt) geopend heeft. Les ReBelles d’Anvers, zo heet de bib, zet vooral in op designerstuks en je kan er ook peperdure handtassen en juwelen huren. Mocht ook dit concept zich vertalen naar een kledingbib met enkel eerlijke en ecologische mode, zou dat niet het summum zijn van duurzaamheid? Het is maar een idee.
Anneleen
(Lees volledig artikel)Ik zou willen dat ik perfect was. Een beetje smaller, een zwoelere stem, een mooiere lach en misschien ook nog wel net dat tikkeltje slimmer. Jammer dat een mens het niet voor het kiezen heeft. Wat een mens wél voor het kiezen heeft, is zijn kleding. I know, niet echt heel subtiel, maar er schuilt wel een waarheid in.

Nu denken jullie wellicht: ‘Oh nee, weer een wereldverbeteraar.’ Wel jammer genoeg, ben ik ook daar niet perfect in. Die eerste fair fashion challenge was dan ook een echte kwelling voor me. Met zweetparels op mijn voorhoofd, roodomrande ogen en stinkende oksels heb ik me voor de spiegel gezet om mezelf moed in te spreken. (Deze fijne details konden trouwens ook veroorzaakt zijn door mijn kleine sportieve uitspatting van een halfuurtje eerder.) ‘Kom op, Anneleen. You can do this. Je hebt wel zeker twee tweedehandsstukken in je kast hangen!’ Oké, dacht ik bij mezelf terwijl ik diep in- en uitademde, dit moet lukken. Ik nam heel voorzichtig de trap naar mijn badkamer, keek nogmaals naar de weerkaatsing van mijn gezicht (er zitten twee gigantische spiegels aan de voorkant van mijn kleerkast, ik ben geen narcist) en opende mijn kast.

Wat een teleurstelling. H&M, Zara, Bershka, Forever 21, COS, … puilden eruit. Alleen Primark ontbreekt nog net op mijn zielige lijstje. Wat voor een vreselijk mens ben ik eigenlijk? Maar na regen komt zonneschijn: helemaal achteraan mijn kast heb ik ook zo maar even vijf stuks gevonden van tweedehandswinkels, een paar onbekende merken sierden dan ook de etiquette. Ik spurtte naar de keuken, nam een vuilniszak en besteeg in volle vaart mijn trap, totdat ik natuurlijk besefte dat het niet zo’n subliem idee was om al mijn kleren in één keer weg te gooien. Een tikkeltje slimmer, ik zei het toch.

Eenmaal terug beneden, probeerde ik te bedenken wat ik zou moeten doen om mijn leven te beteren. Mijn tweedehandscollectie uitbreiden, is zeker een mogelijkheid. Nadeel is dan dat ik nog meer kleren heb. Ik kan mijn vriend zijn kleren analyseren en als hij een beter fashionmodel blijkt te zijn dan mij, kan ik me gewoon richten op zijn kleerkast. Nadeel is dan dat hij mij wellicht nogal kwaad zal toeroepen dat ik hem niet als sociaal project mag gebruiken. Ik kan me zetten op tweedehandsklerendieet. Nadeel is dan dat ik wellicht nogal zal stinken aangezien ik maar vijf stuks heb. First world problems.

Ik besloot om de site van Fair Fashion nog eens te checken en mijn eerste uitdaging nogmaals grondig te bekijken. Ik ga gewoon doen wat zij zeggen: tot op het bot uitpluizen wat er eigenlijk gebeurt met mijn kleding. Hoe komt mijn kleding bij ons in de winkelrekken? Wie maakt mijn kledij? Maar ook: wie kan er verandering brengen in mijn garderobe? Hoe staan jonge modeontwerpers ten opzichte van de negatieve bijsmaak die kleren intussen hebben gekregen? Waar zitten al die mooie initiatieven verborgen die wedijveren voor eerlijke kleding? Op dit alles, of toch alleszins op een deel, ga ik jullie volgende maand met vol enthousiasme antwoord kunnen geven. Tot dan en kleed je goed, Anneleen
Charlotte Marron
(Lees volledig artikel)Mijn oma stiftte haar lippen vroeger altijd in een zacht, glanzend roze. Rouge Coco Shine, Chanel. Perfect gemanicuurde nagels kroonden de toppen van haar vingers. Stiletto’s klik­klakten op de houten vloer. Ik herinner me geen afzonderlijke kledingstukken ­ geen jurken of hemden of zwierige rokken. Enkel de allure van een bepaalde, ongrijpbare schoonheid en elegantie. Ik was zeven of acht jaar oud en ‘de mode’ werd stilletjes verheven tot een soort existentieel gegeven, een onzichtbaar ledemaat, een verlenging van je eigen karakter.

Een kunstvorm, eigenlijk. Een statussymbool, ook.

Als tiener ontpopte mijn liefde voor kledij zich in een soort manische koopverslaving. Een liefde die niet getemperd kon worden. Bergen op bergen op bergen op bergen kleren. Een kast vol eenzame kledingstukken die ik ooit één keer gedragen had en daarna in de vergetelheid sukkelden. Maar trop c’est trop. Dat besef sijpelde pas binnen toen ik een tweetal jaar geleden voor het eerst op de rommelmarkt in de Lange Violettestraat stond. De auto van mijn moeder volgepropt met negen vuilniszakken gevuld met kleren en accessoires. Een zwarte VW Golf getransformeerd in een kerkhof van katoenen kledingstukken.

En toen was er Rana Plaza in 2013. Een Bengalese fabriek die instortte en daarbij meer dan 1300 mensen van het leven beroofde. Een gebeurtenis die nog maar eens duidelijk maakte: de modewereld is niet gezond. Niet op het vlak van consumeren. Niet op het vlak van financiële vergoedingen, van milieubewustzijn of van schoonheidsidealen en sociale standaarden. We blijken maar niet in staat om een industrie op poten te zetten zonder bepaalde grondstoffen uit te putten en zwakkere bevolkingsgroepen uit te buiten.

Met de introductie van de naaimachine omstreeks 1850 werd ineens ook de term ‘confectie’ geboren. Time is money en plots konden kleren en masse geproduceerd en op een even snel tempo verkocht worden. Hoe meer onze technologie evolueerde, hoe sneller de mode­industrie kledij fabriceerde. Fast forward, oktober 2015. Raf Simons verlaat Dior na drie jaar. Het iconische modehuis lanceert elk jaar zes nieuwe collecties, een moordend tempo dat volgens Simons een even dodelijk effect op creativiteit heeft. Hij wil meer tijd om over zijn ontwerpen na te denken. Zelfs luxe modemerken evolueren steeds meer naar de nieuwe norm: fast fashion.

Mode an sich is natuurlijk altijd een reflectie van de tijd, een expressie van moderniteit. In deze context kunnen we opmerken dat mode vooral ‘trendy’ is. De focus ligt momenteel nog te veel op innovatie. Steeds iets nieuws, iets anders, iets unieks, en te weinig op kwaliteit en individualiteit. Sociale media maken het voor modemerken ook steeds gemakkelijker om sneller in te spelen op bepaalde trends, zogenaamde needs. In de eeuw van de selfie beheerst het online universum letterlijk elke vezel van de mode-industrie.

Ik word me steeds bewuster van mijn eigen shoppingpatroon. Ik word me steeds bewuster van de modemerken die ons overtuigen om bepaalde kledingstukken te kopen. Het is niet mijn bedoeling om iemand met een belerend vingertje aan te spreken. Of om op te roepen tot het boycotten van bepaalde grote kledingketens. Ik hoop wel om met deze blogposts mensen te inspireren en informeren.

Zoals ik onlangs las in een online artikel op Not Just A Label: ‘The problem with fashion is that there is too much fashion.’
Sarah's kleren
(Lees volledig artikel)…zonder goede voornemens

Joepie juli! De zomervakantie is ook voor mij van start gegaan en waar beter om mijn drie weken vrijaf te beginnen dan in Groot-Brittannië, niet geheel toevallig waar Fashion Revolution geboren is? Het is dan ook vrij ironisch dat ik mij net in volle moderevolutionaire omgeving niet aan mijn eigen beloftes gehouden heb.

Sedert mijn laatste blog over eerlijk en tweedehands heb ik, geef ik dus bijzonder schoorvoetend toe, de belofte van mijn eerste blog – één kledingstuk per seizoen kopen, niet meer, en zeker niet onfair – grandioos verbroken. Ik steek het op de Brexit, de lage pond, het vakantiegevoel dat je geen remmen oplegt om je portefeuille open te doen – daar heb ik ook een nieuwe van gekocht trouwens, in vegan leer no less. Had ik mezelf en mijn lezers niet op voorhand gewaarschuwd dat daadkrachtig mijn koopkracht bedwingen in het buitenland zeer, zeer moeilijk zou zijn?

Behalve een ethisch verantwoorde portefeuille van Matt & Nat (die ik overigens niet onder kleding reken, dus compleet verantwoord in mijn opzet tot daar aan toe) en een stapel boeken (waaronder Lucy Siegle’s epistel aan de modeindustrie, toepasselijk ‘To Die For’ genoemd), heb ik in Londen drie kledingstukken op de kop getikt, waar ik al dan niet trots op ben.

Het eerste stuk is een trui, die ik kocht toen ik het koud had. Niet bepaald een reden om trots op te zijn: ik liep al de hele dag in de stad rond en dacht nog langs mijn kamer te kunnen passeren alvorens iets te gaan eten, maar dat zat er niet meer in. Snel Oxford Circus passeren en de Primark binnenlopen dan maar? Zo koud had ik nu ook weer niet. In de ondergrondse gang richting metrohalte Old Street ontdekte ik een pop-up charity shop, waar ik een mooie trui spotte van het mij onbekende Per Una. Eentje in gebroken wit, een kleur dat ik nog niet echt in mijn kast had hangen. De mouwen zijn niet al te lang, waardoor mijn hennatattoeage, die ik voor het Suikerfeest heb laten zetten, mooi uitkwam in de trui. En 10 pond is een charitable prijsje, natuurlijk. Binnen de kortste keren stond ik aan de kassa en voor de metro was ik nog op tijd.

Het tweede is een knalrode jas waar mijn vrienden uit Londen me al van ver mee zagen afkomen, ook al hadden ze me nog nooit in de jas gezien – dat kon immers niet, want ik had ‘m nog geen uur in mijn bezit. De jas is ontworpen en geproduceerd in Londen zelf, in Oost-Londen, vlak bij de Old Spitalfield’s Market (aanrader!) waar ik hem op de kop kon tikken voor 60 pond, een soldenkoopje. De verkoper, zoon van ontwerper Marvin Browne, prijst het kledingstuk ook aan omdat het van katoen is. Op mijn vraag of het katoen biologisch is, blijft hij het antwoord schuldig. Ik zeg dat hij er niet mee moet inzitten en dat ik de jas sowieso neem. Op reis blijkt ‘zeker niet 100 procent fair trade, maar wel lokaal’ mijn geweten te sussen.

Het derde stuk is een jurkje dat ik op diezelfde markt zag en niet kon laten liggen. Voor 12 pond, pas echt een koopje. Het is een kleedje van dertien in een dozijn, dat in het kraam van veel marktkramers terugkomt, en waar volgens mij helemaal niks eerlijk of eco aan is. Waarom zou ik het mij dan, als pleiter voor duurzame mode, toch permitteren om het te kopen, en er nog eens een relaas over uit te schrijven ook?

Het was niet de eerste keer dat ik dat jurkje gezien had. Tijdens mijn grootste Londentrip, intussen al meer dan twee jaar geleden, had ik het stuk al eens gezien op Petticoat Lane Market (minder een aanrader). Toen wou ik het al kopen, maar ik kon mezelf tegenhouden: de print mocht dan tof zijn, de stof was flets en de prijs (toen 15 pond, stel je voor) was volgens mijn gevolg te hoog. Wanneer ik het jurkje 2,5 jaar later aan een lagere prijs vond (drie pond lager, maar het is het gedacht dat telt), en ik de print nog steeds mooi bleek te vinden, twijfelde ik nog heel even maar kon ik het uiteindelijk toch niet laten.
Denk er even over na. Zit het artikel een paar uur later nog steeds door mijn hoofd te spoken, dan keer ik terug en neem ik het mee.

Dat is voor mezelf de manier waarop ik onethische aankopen (of eigenlijk aankopen in het algemeen) verantwoord. En ook de manier waarop ik mezelf kon bedwingen om een leren handtas van 70 pond te kopen (al denk ik er nog steeds over na, blijkbaar, dus misschien mocht het wel). Als ik na 2,5 jaar nog steeds weet welk jurkje ik die dag op Petticoat Lane Market mooi vond, dan mocht ik het van mezelf kopen.

Hoewel ik het voor mezelf verantwoord, blijft het geen verantwoordelijke aankoop. Daarom ben ik van plan om na mijn congé een bericht te sturen naar Goldkid, het (nochtans ook ‘Londense’) merk dat schuilgaat achter de dertijn in een dozijn-jurkjes. Who made my clothes? Dat wordt mijn mini Fashion Revolution. Hun allicht even schoorvoetende antwoord, dat al dan niet uitblijft, laat ik in een volgend blogbericht zeker weten.

En of ik mijn eigen beloftes nog breek? Waarschijnlijk niet, zegt die gloednieuwe vegan portefeuille, die nagenoeg leeg is. Al vertrek ik op dit eigenste moment naar modebastion Milaan. Beloftes durf ik vanaf dit moment dus niet meer maken.
Mara
(Lees volledig artikel)Toen ik besliste om mee te doen aan de Fair Fashion Challenges, zag ik al snel dat ik eigenlijk al een tijdje bezig ben met één van de Challenges. In 2016 koop ik namelijk maar 10 stuks. En dat gaat dan over kleren, schoenen én handtassen!

In de zomer van 2015 zag ik ‘The True Cost’, een documentaire over de druk die de mode-industrie legt op onze maatschappij en op ons leefmilieu. Die film sloeg bij mij in als een bom. Ik ben al jaren bezig met mode en er goed uitzien is voor mij heel belangrijk. Daarom lees ik alle modeboekjes en zorg ik dat ik de mooiste nieuwe kleren heb. Maar hoeveel kleren heb ik nu precies? Ik besloot om in mijn kleerkast te duiken en te tellen hoeveel stuks ik tot dan had gekocht in 2015 (van januari tot augustus dus). 43 stuks. Ik had de kleren allemaal uit mijn kast getrokken (mijn lief dacht dat ik gek werd) en alles lag op een hoop op de grond. Toen ik alles daar zag liggen, begon ik me zo ontzettend schuldig te voelen. Waarom kocht ik 43 stuks op een half jaar tijd? Waarom heb ik de helft van die kleren nog niet aangedaan? En vooral: hoe goedkoop zijn al die stukken wel niet?

En zo geschiedde. Ik besloot om in 2016 maar 10 stukken kledij te kopen. Met kledij bedoelde ik ook schoenen en handtassen (geen onderbroeken en kousen inbegrepen ;)!). Ik koos ervoor om pas in 2016 te starten omdat elk nieuw jaar begint met een soldenmaand. De soldenperiode is voor mij altijd een periode waar ik volledig los ga en alles koop wat ik mooi vind. Dus we begonnen meteen met een grote uitdaging.

We zijn intussen een jaar verder. En ik zit nu midden in mijn jaar dat ik 10 stuks koop. En wauw, wat ben ik trots op mezelf. Niet alleen hou ik aardig vol (ik heb nu 5 stuks gekocht), ik voel ook niet meer die belachelijke nood om nieuwe dingen te kopen. Ik koop ook echt stukken die tijdloos zijn en waar ik nog lang van kan genieten. En ik koop niet meer impulsief. Heb ik iets nodig om naar een festival te gaan? Bel ik even mijn zus of zij niet iets leuks heeft. Moet ik naar een trouwfeest? Die ene vriendin heeft vast wel nog iets moois in haar kast.

Eén ding is zeker: ik ga nooit meer terug naar hoe het vroeger was. Dit voelt veel beter. Ik ben echt blij met een nieuw stuk en voel me niet meer schuldig als ik iets koop. Ik kan niet geloven dat ik een jaar geleden op ditzelfde moment al 8 keer meer kleren had gekocht dan nu. Dit is echt een hele verwezenlijking voor mij en ik raad iedereen aan om hetzelfde te doen!

Volg Mara ook op haar eigen blog style-around.be.
Mieke
(Lees volledig artikel)Ik beken: ik ben mijn belofte niet nagekomen. Beloftes, zelfs. Meervoudig schaamrood.

Eerst en vooral geef ik met dat schaamrood op mijn wangen toe dat ik afgelopen week opnieuw gaan shoppen ben: ik heb een fairtrade rok en een T-shirt gekocht voor de trouw van een goede vriendin. Een paar weken geleden ben ik bovendien een tweedehandswinkel binnengesprongen, op zoek naar een jurk voor het vrijgezellenfeestje van die vriendin.
Tot zover mijn voornemen om het komende jaar slechts één kledingstuk per seizoen aan te schaffen: de lente kwam ik goed door, maar deze zomer heb ik – even een snelle optelsom als ik er mijn vorige blog bijneem – al zes stuks op de teller.

Een andere belofte die ik niet nagekomen ben, is meer revolutionair van aard.
Weet je nog, mijn favoriete nieuwe jurkje uit Londen, dat ik al bijna drie jaar op het oog had? Ja, dat jurkje waar ik in totaal vier (!) paragrafen aan wijdde in een vorige blog. Dat jurkje dat niet bepaald ethisch was, wat ik de producent eens goed ging doorsteken. Met één simpele vraag: who made my clothes?
Die moderevolutionaire vraag heb ik niet meteen opgestuurd. Pas afgelopen weekend heb ik hem luidop gesteld. Enfin, luidop, met een tweet @GoldkidLondon, het (voor mij tot dan onbekende) Britse merk dat in China produceert.
Ik geloof nochtans dat die vraag – al dan niet in 140 tekens – veel teweeg kan brengen. Maar eigenlijk was ik op veel meer vragen aan het broeden.
Want waar ergens in China is mijn jurk gemaakt, onder welke omstandigheden, door hoeveel arbeidsters? Krijgen die een eerlijk loon betaald, het recht op vakbondsvereniging, een vast contract, of worden zij op staande voet ontslagen bij ziekte of zwangerschapsverlof? En welk proces heeft de stof (100 procent polyester trouwens) doorlopen, vooraleer die in een confectiefabriek in China terechtkwam?
Al die vragen hangen – schijnbaar – samen met de vraag wie mijn kleren gemaakt hebben, maar het zijn vragen die ketens liever mijden als de pest. Want makkelijk zijn zo’n vragen allerminst. Achter die moeilijkheidsgraad proberen merken zich dan ook maar al te graag weg te steken.

Textiel is een ingewikkeld verhaal. Katoen, polyester, wol, zijde, leer: elke stof legt zijn eigen weg af. Met onderweg een heleboel handen die zo’n stof – en uiteindelijk het kledingstuk – onder handen nemen. Fair fashion gaat dus niet enkel over eerlijke omstandigheden in de fabrieken. Ook wie bijvoorbeeld de katoenpluisjes plukt of het polyester bedrukt, moet eerlijk behandeld worden. Het stappenplan van plukken en spinnen tot de uiteindelijke verkoop in de grote winkelstraten, is lang. Bijzonder lang zelfs, terwijl fast fashion-ketens enorm strakke deadlines opleggen aan hun leveranciers om de laatste catwalktrends in hun assortiment te hebben. Elke stap van dat proces controleren en garanderen, is geen sinecure.
Transparantie, één van de toverwoorden van de fair trade beweging, zal misschien nooit een evidentie zijn. Merken weten evenwel maar al te goed wie hun leveranciers zijn en wat ze van hen op een zo kort mogelijke termijn verwachten. Het kan een eerste stukje van een ingewikkelde puzzel vormen. Veel ketens verschuilen zich niettemin achter het excuus dat niet zij, maar enkel die leveranciers weten in welke fabriek – de merken voelen zich dus niet persoonlijk aansprakelijk, hoe strak en dus compleet onverantwoord hun deadlines ook zijn. De wet verplicht de merken niet om transparant te communiceren over hun leveranciers en dat maakt het voor grote ketens des te makkelijk om hun verantwoordelijkheid te ontlopen.

Maar in een blog fast fashion-ketens op de vingers denken te tikken, is natuurlijk naïef. Daarom: niet enkel de ketens hebben nood aan verantwoordelijkheidszin. Ook wij, consumenten, kunnen een steentje bijdragen. Door minder te kopen, zoals ik mezelf (en u, trouwe lezer) op een al even naïeve lentedag beloofde. Maar ook door vooral tweedehands en fair te kopen.
Hoewel ik mijn eigen beloftes niet ben nagekomen, heb ik de afgelopen twee seizoenen bewuster dan ooit nagedacht over kledij. Als ik iets koop, moet het zo eerlijk mogelijk zijn, nam ik mezelf bovenal voor. Die leuze heb ik, met uitzondering van dat ene jurkje uit Londen, consequent toegepast en beloof ik (ja, ik durf zowaar nog beloftes aan te gaan) zo goed of zo kwaad mogelijk te blijven toepassen. En dat niet enkel de komende vier seizoenen.

Als verantwoordelijke consument kan je tot slot ook meer transparantie eisen van overheden. De Schone Klerencampagne heeft een petitie opgezet waarin ze de Belgische regering oproept tot rapporteringsplicht. Dat zou willen zeggen dat Belgische kledingbedrijven gedwongen worden om hun verantwoordelijkheid op te nemen en de informatie te delen die nodig is om wantoestanden aan te kaarten. De politieke druk die wij als consumenten kunnen afdwingen, om zowel overheden als uiteindelijk de merken ter verantwoording te roepen, is hierbij cruciaal. Teken dus de petitie op http://www.schonekleren.be/schone-kleren/mode/218-kledingindustrie-blijft-troebel.
Bellen kapotblazen
(Lees volledig artikel)De Gentse lingerieontwerpster Murielle Scherre beschuldigt H&M van plagiaat. Ze vond in de rekken van H&M een beha terug die wel heel erg lijkt op een stuk dat ze zelf ontwierp voor La Fille d’O. Als laatste fair fashion challenge kijken we (niet?) geheel toevallig naar de Zweedse modegigant - en soortgelijke merken - en vragen we ons af hoe duurzaam hun beloften zijn.

'De beste van de slechtste.' Zo durf ik, nochtans overtuigd fair fashionista, een merk als H&M omschrijven. Tegen de helft van mijn vrienden en kennissen moet ik uitleggen dat H&M minder goed bezig is dan ze zelf doen uitschijnen. Tegen de andere helft merk ik dat ik het merk verdedig, hun neiging naar greenwashing en schandalig kopieergedrag ten spijt. En ik niet alleen.

Modepionier Safia Minney, bezielster van People Tree, sprak zich uit over grote merken die ‘iets’ proberen veranderen. 'We zien hoe merken als H&M een poging doen om biokatoen te integreren in hun productie. Daarin moeten ze aangemoedigd worden. Die merken zijn niet fair, maar ze worden zich meer bewust van de noodzaak van eerlijk textiel', sprak Safia Minney toen ze in maart Gent bezocht. 'Maar toegewijde ethische consumenten moeten blijven de pioniers ondersteunen natuurlijk. Zij bieden effectief een alternatief.'

We moeten H&M dus aanmoedigen om het gebruik van biokatoen, dat ze nu integreren in hun Conscious Collection, zoveel mogelijk door te trekken naar hun hele collectie. Het doel van H&M is namelijk om tegen 2020 enkel nog katoen van 'duurzame oorsprong' te integreren. Daarmee bedoelen ze: ofwel biologisch, OCS- of GOTS-gecertificeerd katoen, ofwel gerecycleerde vezels, ofwel niet-biologisch katoen, gecertificeerd door Better Cotton Initiative. Een nobel doel zonder meer. Het duurzaam imago dat ze op die manier kunnen claimen, is natuurlijk mooi meegenomen. Te mooi meegenomen.

Een merk als H&M verwijst maar al te graag naar dat duurzaam imago in campagnes en in debatten. Zo vergeten we dat veel van hun slogans nu nog beloften zijn en moeten we dus vandaag onze scepsis bewaren. Te veel aandacht naar beloften in de verre toekomst, zeker als het van een merk komt dat om de paar weken een nieuwe collectie in de winkelrekken hangt, kan ik persoonlijk moeilijk anders omschrijven dan greenwashing. Hoe nobel het ook bedoeld is.

Het grootste probleem zijn niet de goede voornemens, waarin H&M zowel van mij als van Safia effectief aangemoedigd mag (moét) worden. Het venijn zit hem in het businessmodel dat een merk als H&M nastreeft – en een merk als La Fille d’O van Murielle Scherre bewust tegengaat. Fast fashion kan immers nooit duurzaam zijn. Om de rekken te vullen met steeds nieuwe collecties plaats H&M in krakkemikkige Bengalese fabrieken voortdurend bestellingen aan deadlines die voor de producenten onwerkbaar zijn en aansteeds lagere prijzen. H&M moedigt met haar fast fashion model bovendien een consumptiepatroon aan waarin we steeds méér kopen, méér weggooien en méér verspillen. Het is nobel van H&M om een ophaalpunt voor textiel te openen in hun filialen, maar tegelijk is het ook heel erg cynisch: het merk geeft precies grif toe dat de kleding die het produceert automatisch een enorme afvalberg creëert. Het resultaat van die ophalingen, noem ik eerder een vicieuze consumptiecirkel dan een voorbeeld van circulaire mode.

De Bengalese fabrieken waarin deze 'beste van de slechtste' produceert, 229 fabrieken in totaal, hebben een impact op tienduizenden werknemers. Na de ramp in Rana Plaza werd pijnlijk duidelijk dat deze impact vaak nefast is. Door het ondertekenen van het Akkoord voor meer brandveiligheid in de fabrieken, dat na deze ramp in het leven werd geroepen, lijkt H&M het beste voor te hebben met die vele werknemers. In zijn duurzaamheidsrapport beweerde het merk zelfs dat de reparaties aan de fabrieken naar aanleiding van het Akkoord reeds voltooid waren. Maar, zo weet de Schone Klerencampagne, de inspecties dateren al van 16 maanden geleden en meer dan de helft van de fabrieken hebben nog steeds geen fatsoenlijke nooduitgangen. Mocht opnieuw brand uitbreken, zoals eerder deze maand nog het geval was in een verpakkingsfabriek nabij de Bengalese hoofdstad Dhaka, kunnen de werknemers dus geen kant op.

Ik stel me dan ook vragen bij de aanmoedigende berichtgeving over het ‘duurzame beleid’ van H&M. Vragen die het merk onder druk zouden moeten zetten, maar in de positieve zin. Voor mij blijft het merk nog steeds 'de beste van de slechtste' – of alleszins 'een van de beste slechtste'. Al moeten ze met hun fikken van Gentse modepioniers afblijven, dat spreekt voor zich.