Ik sta voor mijn kleerkast en ik weet altijd wel wat aan te doen. Dat mag wel, met zo’n waslijst aan kledingstukken. Ruim 100 stuks in totaal, ondergoed, sokken en slaapkleedjes – zelfs mijn Tweety-pyjamabroek - nog niet eens meegerekend. Laat staan dat ik mijn aantal schoenen zou prijsgeven.

Toegegeven, een groot deel van dat aantal zijn kleren die mijn kast al jaren bevolken. En nog altijd zitten ze niet gewoon stof te vergaren: ik draag mijn Tiroler hemdjurkje van Mango nog steeds evenveel als zeven jaar geleden. Of was het acht?

Mango, of beter gezegd overkoepelende modegigant Inditex, heeft niet zo’n goede reputatie op vlak van eerlijke werkomstandigheden. Volgens de Schone Klerencampagne gaat het om een ‘zwart’ merk, “een bedrijf dat vrijwel niets doet om ervoor te zorgen dat werknemers een leefbaar loon krijgen”.

Of dat een reden is om het kleedje dat ik, ondanks de pseudo-schouderpads waar Trinny en Susannah al aan het prille begin van dit millennium voor waarschuwden en de minstens even gedateerde witte onderrok die maar al te vaak komt ‘piepen’, zowel in de winter als in de zomer durf aan te doen, naar de vuilbak te verbannen, betwijfel ik echter.

Ook de enige jeans die nog in mijn kleerkast hangt, een laag model van het poepchique maar evenmin koosjere merk Levi’s, heb ik nog niet naar de kringwinkel gebracht, ook al heb ik er zo eentje vlak om mijn hoek. Die doe ik nochtans veel minder aan, nu ik voor mijn werk vaak naar de rechtbank moet en mij onder modieuze advocaten begeef. Jeans is bovendien een van de meest milieuvervuilende stoffen en het vormt een risico voor de gezondheid van arbeiders die de broeken naar de trend van het moment omzetten. Zeker nu jeans volgens de boekskes de trend van de zomer blijkt te zijn, iets om bij stil te staan.

Denim wordt meestal gemaakt van een basisvezel zoals katoen of van een mengvezel met katoen en bijvoorbeeld de synthetische vezel elastaan. Die maakt je broek elastischer. Mijn jeansbroek is bijvoorbeeld gemaakt uit 85 procent katoen, en 15 procent elastaan. Zodat ik er nog in geraak na dat pakje friet, weet u wel.

Die katoendraden moeten gesponnen, gebleekt en geverfd worden. Daarna volgt nog een hele reeks bewerkingen, die veel energie, water en producten vergen. Die stappen zijn vaak erg schadelijk. Om jeans af te bleken gebruiken arbeiders bijvoorbeeld een kankerverwekkend chloor. Om hem er helemaal versleten uit te laten zien, wordt de jeans bespoten met zandkorrels onder hoge druk. Zo kan de blauwe kleur nog verder afgebleekt worden. Veel arbeiders zijn niet beschermd tijdens dat proces en kunnen zo een acute stoflong oplopen, die in sommige gevallen dodelijk is. Zo afgebleekt is mijn jeans gelukkig niet. Maar hij zal sowieso wel iemand, ergens, schade toegebracht hadden. Pijnlijk om te beseffen, maar dankjewel om ons met de neus op de feiten te drukken, fair fashion challenge nummer 1.

Sinds Rana Plaza beseffen we immers maar al te goed: in onze kleerkast hangen stuks die misschien wel de dood van iemand anders veroorzaakt hebben. Dat zei duurzame mode-experte Dilys Williams vorig jaar nog tegen mij. Nu zijn we een jaar verder, een verjaardag verder, en wordt het dringend tijd om in actie te schieten. En dat doe ik niét door mijn kleerkast uit te kuisen.

Fair fashion challenge nummer 2 gebiedt mij om minder te kopen. Consumeren is immers niet duurzaam. Ik ga de foute kleedjes en bleke broeken niet zomaar wegdoen, want anders heb ik straks niets meer om aan te doen en moet ik meteen al die challenge doorbreken. In plaats daarvan richt ik mij op het tweede deel van de tweede challenge: als je koopt, koop dan fair en tweedehands. Daarom lijst ik even mijn goede voornemens op voor de rest van het jaar. Nieuwjaar is al even gepasseerd, maar Bengalees nieuwjaar was vorige week nog maar pas, op 14 april, dus dat kan er wel mee door. Mijn nieuwjaarswens is om één stuk per seizoen aan te schaffen. Een fair stuk, dat iets meer mag kosten, omdat mijn portefeuille niet geplunderd zal zijn door impulsaankopen.

Nog zo’n goed voornemen is om echt onderzoek te voeren naar wat er juist in mijn kast hangt. Daarover schrijf ik tussen nu en het Fair Fashion Fest op 9 oktober een vijftal onderzoeksartikels over de challenges. Ik wil duiken in de wereld van grondstoffen en de weg die zo’n vezels afleggen tot ze in mijn kleerkast belanden. Op het Fair Fashion Lab gaan we het over jeans hebben, maar zo heb ik er maar eentje. Ik wil weten wat er schuilgaat achter dat niet-biologisch katoen, die synthetische vezels in de schouderpads van mijn Mango-hemdjurk en ook wel dat no waste-kleedje van Malahierba dat ik een paar weken geleden bij Mieke op de kop tikte en waar ik vandaag in ronddartel. Zie, dat was al mijn enige aankoop voor de lente.

Dat dit moeilijk wordt, zie ik dus nu al. Bovendien ga ik deze zomer familie bezoeken in Londen: als ik in Shoreditch of door Carnaby Street wandel, ga ik mij so-wie-so niet kunnen bedwingen. Misschien moet ik ook van zo weinig mogelijk window shopping een voornemen maken?