‘Koop bij voorkeur niks meer. En als je toch wilt kopen, schuim dan eerst tweedehanswinkels af. Als je toch per se een nieuw stuk wil aankopen, kies tenminste voor eerlijke modemerken.’ Aan het woord geen belangeloze duurzaamheidsgoeroe maar een vrouw die in haar eigen voet schiet. En dat goed en wel beseft.

Toen People Tree-oprichtster Safia Minney in maart naar het Mind The Book-festival kwam in Vooruit om haar nieuwe boek, ‘Slow Fashion. Aesthetics meets ethics’, voor te stellen, was het die respons op een doordachte vraag uit het publiek (‘Is het niet beter om tweedehands te kopen dan People Tree?’) die me het meest is bijgebleven.
Met Safia als inspiratiebron, maar ook met een bang hartje ga ik dan ook de tweede Fair Fashion Challenge – ga voor minder en beter in je garderobe; koop minder, fair en tweedehands – aan met deze blog.
Met weinig kopen heb ik nochtans niet al te veel moeite. Ik beloofde mezelf in een eerste blogbericht alvast dat ik maximaal één kledingstuk per seizoen mocht inslaan dit jaar en hoewel ik getwijfeld heb om die regel niet te laten gelden in het buitenland, heb ik mij tijdens mijn eerste citytrip van dit jaar – Amsterdam – niet laten verleiden door de hippe fair fashion concept stores Charlie + Mary, Geitenwollenwinkel en Studio Jux. Benieuwd of dat ook gaat lukken in Londen, Milaan en New York.

SOMETHING OLD

Mijn relatie met tweedehandswinkels is een ander verhaal. Want nu komt het. Ik moet iets bekennen.
Ik ben een luie shopper. Ik zoek niet graag oeverloos in de winkelrekken tot ik iets zie wat mij wel ligt of past. Ketens zoals H&M en Primark zijn daarom sowieso niet echt aan mij besteed: de hoeveelheid kleren die je daar moet doorploeteren vooraleer je het jurkje van je fast fashion-dromen vindt, is enorm. Hetzelfde geldt dus in principe ook voor tweedehandswinkels.
Bezoekjes aan de kringwinkels en de Think Twices van Gent zijn een schattenjacht. En die schatten zijn vaak in een fijne (al dan niet retro) prints, nochtans hét kenmerk van mijn kleerkast: drukke, vrolijke motiefjes die je eigenlijk niet met elkaar kan combineren, maar dat doe ik lekker toch. Maar vooraleer ik een blauwe droomrok met paarse bloemen (twee kleuren die volgens de regels van de kunst blijkbaar ook niet samengaan, maar ik had al bekend lak te hebben aan die regels) pas die net genoeg tot onder mijn knie komt om op reis te gaan naar een Aziatisch land waar de temperaturen gigahoog oplopen en je toch ‘deftig’ gekleed moet gaan, heb ik eerst het hele rek ondersteboven gekeerd.
Sinds dit vooroordeel de kop opstak, ben ik eigenlijk nog maar amper in tweedehandswinkels gaan shoppen. Enkel handtasjes vind ik er af en toe, maar van de kledingrekken blijf ik veelal weg.
Tot nu.
Want stel je voor dat dit de titel van deze blog zou worden: ‘Tweedehandswinkels enkel goed voor een nieuwe sjakos.’
Daarom ging ik voor mezelf de uitdaging aan. Ik bezocht afgelopen week twee winkels waar ik nog nooit eerder binnengeweest ben: Marmod en House of Vintage. Iets kopen mocht ik niet van mezelf, maar dat belette me niet om een paskot in te kruipen. Kijken mag, aankomen ook, aankopen niet.
Blij verrast wrong ik mijzelf in een kleedje van Springfield, een van mijn favoriete niet-fair fashion merken van de laatste jaren – de bohemien prints doen het voor mij – waar ik mij absoluut niet schuldig over zou moeten voelen mocht ik het toch gekocht hebben, want het is tweedehands en dus duurzaam, de bodemprijzen in de Veldstraat ten spijt. Andere jurkjes die ik aandeed of overwoog uit te proberen – tot ik merkte dat dat ander goed voornemen, gaan voor een (half) maatje minder, mij voorlopig nog niet in een XXXS deed passen – waren van mij onbekende merken. Maar, bedacht ik me, het merk deed er ook helemaal niet toe, om dezelfde redenering: als zelfs Safia Minney zegt dat tweedehands duurzamer is dan nieuwe fair fashion, wie zijn wij dan om moeilijk te doen bij welk merk we kiezen als we het toch een nieuw leven geven?

SOMETHING NEW

Bij nieuwe kleren ligt het evenwel anders: duurzaam is het niet om te blijven consumeren, dus dan kunnen we het maar beter op z’n minst eerlijk/bio/eco houden. En daarvoor moeten we weten welke merken er onder de noemer ‘eerlijk’ vallen, welke kleren van biokatoen gemaakt zijn en welke van gerecycleerde stoffen. Wie zich een fair fashionista wil wanen, moet tegen de waan van de dag in de juiste merken weten te kiezen.
Ik besef dat over fair fashion hetzelfde soort vooroordelen bestaan als diegene die ik had over tweedehandskledij. Veel consumenten vrezen dat fair fashion nog steeds ‘minder mooi’ is dan wat ze in de reguliere winkelstraten vinden, en zijn vaak ook luie shoppers: ze gaan het eerlijke mode-avontuur niet aan. Liever in de winkelrekken graaien van mega (of megalomane) winkelketens, dan. Want eerlijk is toch voor geitenwollensokken?
Dat clichébeeld proberen tientallen Gentse ondernemers al sinds jaar en dag van de kaart te helpen. Hun inspanningen werden gebundeld in de Gentse inspiratiegids voor eerlijke mode. In inspirerende concept stores en webshops wordt duidelijk hoe mooi fair fashion wel niet kan zijn. ‘Want dat is het belangrijkste: niet dat het eerlijk is, maar dat het mooi is, goed zit, dat mensen de kleren willen dragen’, was dé boodschap tijdens een eerste samenkomst voor het textielplatform van Gent Fair Trade. Daar kan ik volledig inkomen: als je fair koopt, maar het toch in je kast laat hangen omdat je het niet supermooi vindt, ben je in principe allesbehalve duurzaam. En kan je dus onmogelijk aan de voorwaarden van de tweede challenge voldoen.
Zelf is mijn enige aankoop dit seizoen – toch op vlak van kleding – een no waste-kleedje van Malahierba, gekocht bij Mieke in de Baudelostraat, lokaal geproduceerd in Barcelona. Het kleedje kostte nog geen 80 euro en toont daarmee bovendien aan dat fair fashion niet peperduur hoeft te zijn. Aan bodemprijzen zullen we inderdaad geen ecologisch verantwoorde kleren kunnen inslaan, dus voor impulsaankopen is fair fashion niet geschikt. Maar ook dat behoort tot de tweede challenge: ons shoppatroon aanpassen betekent ook inzetten op slow fashion, exact de term waaraan Safia Minney haar boek opgehangen heeft.

SOMETHING BORROWED, NOTHING BLUE

Samengevat zou ik mij, zonder het eerste voornemen, niet schuldig voelen als ik een tweedehandskleedje van een fast fashion-keten aankoop of een nieuw van een fair fashion-keten. De utopie is en blijft een combinatie van de twee. Het moment waarop ik tijdens een van mijn volgende schattenjachten in tweedehandswinkels People Tree in de rekken vind, ga ik gillen. Van vreugde, uiteraard.
Gents onderneemster Sophie Devolder, zelf mama van een kleine spruit (Isa, 1 jaar), probeert daar op vlak van kinderkledij alvast iets op te vinden. In navolging van het Brusselse concept Tale Me (www.taleme.be) wil zij een abonnenementssysteem uitwerken waarbij ouders eerlijke kinderkledij – ook nog altijd duurder dan de conventionele merkjes – kunnen huren. Want huren blijft duurzamer dan aankopen. 'We moeten afstappen van de idee dat we iets moeten bezitten', klinkt het motto van Sophie.
Dat soort huursysteem zien we ook terugkomen in de eerste kledingbibliotheek van België, die in april in Antwerpen zijn deuren voor een proefperiode (die binnenkort afloopt) geopend heeft. Les ReBelles d’Anvers, zo heet de bib, zet vooral in op designerstuks en je kan er ook peperdure handtassen en juwelen huren. Mocht ook dit concept zich vertalen naar een kledingbib met enkel eerlijke en ecologische mode, zou dat niet het summum zijn van duurzaamheid? Het is maar een idee.