Mijn oma stiftte haar lippen vroeger altijd in een zacht, glanzend roze. Rouge Coco Shine, Chanel. Perfect gemanicuurde nagels kroonden de toppen van haar vingers. Stiletto’s klik­klakten op de houten vloer. Ik herinner me geen afzonderlijke kledingstukken ­ geen jurken of hemden of zwierige rokken. Enkel de allure van een bepaalde, ongrijpbare schoonheid en elegantie. Ik was zeven of acht jaar oud en ‘de mode’ werd stilletjes verheven tot een soort existentieel gegeven, een onzichtbaar ledemaat, een verlenging van je eigen karakter.

Een kunstvorm, eigenlijk. Een statussymbool, ook.

Als tiener ontpopte mijn liefde voor kledij zich in een soort manische koopverslaving. Een liefde die niet getemperd kon worden. Bergen op bergen op bergen op bergen kleren. Een kast vol eenzame kledingstukken die ik ooit één keer gedragen had en daarna in de vergetelheid sukkelden. Maar trop c’est trop. Dat besef sijpelde pas binnen toen ik een tweetal jaar geleden voor het eerst op de rommelmarkt in de Lange Violettestraat stond. De auto van mijn moeder volgepropt met negen vuilniszakken gevuld met kleren en accessoires. Een zwarte VW Golf getransformeerd in een kerkhof van katoenen kledingstukken.

En toen was er Rana Plaza in 2013. Een Bengalese fabriek die instortte en daarbij meer dan 1300 mensen van het leven beroofde. Een gebeurtenis die nog maar eens duidelijk maakte: de modewereld is niet gezond. Niet op het vlak van consumeren. Niet op het vlak van financiële vergoedingen, van milieubewustzijn of van schoonheidsidealen en sociale standaarden. We blijken maar niet in staat om een industrie op poten te zetten zonder bepaalde grondstoffen uit te putten en zwakkere bevolkingsgroepen uit te buiten.

Met de introductie van de naaimachine omstreeks 1850 werd ineens ook de term ‘confectie’ geboren. Time is money en plots konden kleren en masse geproduceerd en op een even snel tempo verkocht worden. Hoe meer onze technologie evolueerde, hoe sneller de mode­industrie kledij fabriceerde. Fast forward, oktober 2015. Raf Simons verlaat Dior na drie jaar. Het iconische modehuis lanceert elk jaar zes nieuwe collecties, een moordend tempo dat volgens Simons een even dodelijk effect op creativiteit heeft. Hij wil meer tijd om over zijn ontwerpen na te denken. Zelfs luxe modemerken evolueren steeds meer naar de nieuwe norm: fast fashion.

Mode an sich is natuurlijk altijd een reflectie van de tijd, een expressie van moderniteit. In deze context kunnen we opmerken dat mode vooral ‘trendy’ is. De focus ligt momenteel nog te veel op innovatie. Steeds iets nieuws, iets anders, iets unieks, en te weinig op kwaliteit en individualiteit. Sociale media maken het voor modemerken ook steeds gemakkelijker om sneller in te spelen op bepaalde trends, zogenaamde needs. In de eeuw van de selfie beheerst het online universum letterlijk elke vezel van de mode-industrie.

Ik word me steeds bewuster van mijn eigen shoppingpatroon. Ik word me steeds bewuster van de modemerken die ons overtuigen om bepaalde kledingstukken te kopen. Het is niet mijn bedoeling om iemand met een belerend vingertje aan te spreken. Of om op te roepen tot het boycotten van bepaalde grote kledingketens. Ik hoop wel om met deze blogposts mensen te inspireren en informeren.

Zoals ik onlangs las in een online artikel op Not Just A Label: ‘The problem with fashion is that there is too much fashion.’