…zonder goede voornemens

Joepie juli! De zomervakantie is ook voor mij van start gegaan en waar beter om mijn drie weken vrijaf te beginnen dan in Groot-Brittannië, niet geheel toevallig waar Fashion Revolution geboren is? Het is dan ook vrij ironisch dat ik mij net in volle moderevolutionaire omgeving niet aan mijn eigen beloftes gehouden heb.

Sedert mijn laatste blog over eerlijk en tweedehands heb ik, geef ik dus bijzonder schoorvoetend toe, de belofte van mijn eerste blog – één kledingstuk per seizoen kopen, niet meer, en zeker niet onfair – grandioos verbroken. Ik steek het op de Brexit, de lage pond, het vakantiegevoel dat je geen remmen oplegt om je portefeuille open te doen – daar heb ik ook een nieuwe van gekocht trouwens, in vegan leer no less. Had ik mezelf en mijn lezers niet op voorhand gewaarschuwd dat daadkrachtig mijn koopkracht bedwingen in het buitenland zeer, zeer moeilijk zou zijn?

Behalve een ethisch verantwoorde portefeuille van Matt & Nat (die ik overigens niet onder kleding reken, dus compleet verantwoord in mijn opzet tot daar aan toe) en een stapel boeken (waaronder Lucy Siegle’s epistel aan de modeindustrie, toepasselijk ‘To Die For’ genoemd), heb ik in Londen drie kledingstukken op de kop getikt, waar ik al dan niet trots op ben.

Het eerste stuk is een trui, die ik kocht toen ik het koud had. Niet bepaald een reden om trots op te zijn: ik liep al de hele dag in de stad rond en dacht nog langs mijn kamer te kunnen passeren alvorens iets te gaan eten, maar dat zat er niet meer in. Snel Oxford Circus passeren en de Primark binnenlopen dan maar? Zo koud had ik nu ook weer niet. In de ondergrondse gang richting metrohalte Old Street ontdekte ik een pop-up charity shop, waar ik een mooie trui spotte van het mij onbekende Per Una. Eentje in gebroken wit, een kleur dat ik nog niet echt in mijn kast had hangen. De mouwen zijn niet al te lang, waardoor mijn hennatattoeage, die ik voor het Suikerfeest heb laten zetten, mooi uitkwam in de trui. En 10 pond is een charitable prijsje, natuurlijk. Binnen de kortste keren stond ik aan de kassa en voor de metro was ik nog op tijd.

Het tweede is een knalrode jas waar mijn vrienden uit Londen me al van ver mee zagen afkomen, ook al hadden ze me nog nooit in de jas gezien – dat kon immers niet, want ik had ‘m nog geen uur in mijn bezit. De jas is ontworpen en geproduceerd in Londen zelf, in Oost-Londen, vlak bij de Old Spitalfield’s Market (aanrader!) waar ik hem op de kop kon tikken voor 60 pond, een soldenkoopje. De verkoper, zoon van ontwerper Marvin Browne, prijst het kledingstuk ook aan omdat het van katoen is. Op mijn vraag of het katoen biologisch is, blijft hij het antwoord schuldig. Ik zeg dat hij er niet mee moet inzitten en dat ik de jas sowieso neem. Op reis blijkt ‘zeker niet 100 procent fair trade, maar wel lokaal’ mijn geweten te sussen.

Het derde stuk is een jurkje dat ik op diezelfde markt zag en niet kon laten liggen. Voor 12 pond, pas echt een koopje. Het is een kleedje van dertien in een dozijn, dat in het kraam van veel marktkramers terugkomt, en waar volgens mij helemaal niks eerlijk of eco aan is. Waarom zou ik het mij dan, als pleiter voor duurzame mode, toch permitteren om het te kopen, en er nog eens een relaas over uit te schrijven ook?

Het was niet de eerste keer dat ik dat jurkje gezien had. Tijdens mijn grootste Londentrip, intussen al meer dan twee jaar geleden, had ik het stuk al eens gezien op Petticoat Lane Market (minder een aanrader). Toen wou ik het al kopen, maar ik kon mezelf tegenhouden: de print mocht dan tof zijn, de stof was flets en de prijs (toen 15 pond, stel je voor) was volgens mijn gevolg te hoog. Wanneer ik het jurkje 2,5 jaar later aan een lagere prijs vond (drie pond lager, maar het is het gedacht dat telt), en ik de print nog steeds mooi bleek te vinden, twijfelde ik nog heel even maar kon ik het uiteindelijk toch niet laten.
Denk er even over na. Zit het artikel een paar uur later nog steeds door mijn hoofd te spoken, dan keer ik terug en neem ik het mee.

Dat is voor mezelf de manier waarop ik onethische aankopen (of eigenlijk aankopen in het algemeen) verantwoord. En ook de manier waarop ik mezelf kon bedwingen om een leren handtas van 70 pond te kopen (al denk ik er nog steeds over na, blijkbaar, dus misschien mocht het wel). Als ik na 2,5 jaar nog steeds weet welk jurkje ik die dag op Petticoat Lane Market mooi vond, dan mocht ik het van mezelf kopen.

Hoewel ik het voor mezelf verantwoord, blijft het geen verantwoordelijke aankoop. Daarom ben ik van plan om na mijn congé een bericht te sturen naar Goldkid, het (nochtans ook ‘Londense’) merk dat schuilgaat achter de dertijn in een dozijn-jurkjes. Who made my clothes? Dat wordt mijn mini Fashion Revolution. Hun allicht even schoorvoetende antwoord, dat al dan niet uitblijft, laat ik in een volgend blogbericht zeker weten.

En of ik mijn eigen beloftes nog breek? Waarschijnlijk niet, zegt die gloednieuwe vegan portefeuille, die nagenoeg leeg is. Al vertrek ik op dit eigenste moment naar modebastion Milaan. Beloftes durf ik vanaf dit moment dus niet meer maken.