Ik beken: ik ben mijn belofte niet nagekomen. Beloftes, zelfs. Meervoudig schaamrood.

Eerst en vooral geef ik met dat schaamrood op mijn wangen toe dat ik afgelopen week opnieuw gaan shoppen ben: ik heb een fairtrade rok en een T-shirt gekocht voor de trouw van een goede vriendin. Een paar weken geleden ben ik bovendien een tweedehandswinkel binnengesprongen, op zoek naar een jurk voor het vrijgezellenfeestje van die vriendin.
Tot zover mijn voornemen om het komende jaar slechts één kledingstuk per seizoen aan te schaffen: de lente kwam ik goed door, maar deze zomer heb ik – even een snelle optelsom als ik er mijn vorige blog bijneem – al zes stuks op de teller.

Een andere belofte die ik niet nagekomen ben, is meer revolutionair van aard.
Weet je nog, mijn favoriete nieuwe jurkje uit Londen, dat ik al bijna drie jaar op het oog had? Ja, dat jurkje waar ik in totaal vier (!) paragrafen aan wijdde in een vorige blog. Dat jurkje dat niet bepaald ethisch was, wat ik de producent eens goed ging doorsteken. Met één simpele vraag: who made my clothes?
Die moderevolutionaire vraag heb ik niet meteen opgestuurd. Pas afgelopen weekend heb ik hem luidop gesteld. Enfin, luidop, met een tweet @GoldkidLondon, het (voor mij tot dan onbekende) Britse merk dat in China produceert.
Ik geloof nochtans dat die vraag – al dan niet in 140 tekens – veel teweeg kan brengen. Maar eigenlijk was ik op veel meer vragen aan het broeden.
Want waar ergens in China is mijn jurk gemaakt, onder welke omstandigheden, door hoeveel arbeidsters? Krijgen die een eerlijk loon betaald, het recht op vakbondsvereniging, een vast contract, of worden zij op staande voet ontslagen bij ziekte of zwangerschapsverlof? En welk proces heeft de stof (100 procent polyester trouwens) doorlopen, vooraleer die in een confectiefabriek in China terechtkwam?
Al die vragen hangen – schijnbaar – samen met de vraag wie mijn kleren gemaakt hebben, maar het zijn vragen die ketens liever mijden als de pest. Want makkelijk zijn zo’n vragen allerminst. Achter die moeilijkheidsgraad proberen merken zich dan ook maar al te graag weg te steken.

Textiel is een ingewikkeld verhaal. Katoen, polyester, wol, zijde, leer: elke stof legt zijn eigen weg af. Met onderweg een heleboel handen die zo’n stof – en uiteindelijk het kledingstuk – onder handen nemen. Fair fashion gaat dus niet enkel over eerlijke omstandigheden in de fabrieken. Ook wie bijvoorbeeld de katoenpluisjes plukt of het polyester bedrukt, moet eerlijk behandeld worden. Het stappenplan van plukken en spinnen tot de uiteindelijke verkoop in de grote winkelstraten, is lang. Bijzonder lang zelfs, terwijl fast fashion-ketens enorm strakke deadlines opleggen aan hun leveranciers om de laatste catwalktrends in hun assortiment te hebben. Elke stap van dat proces controleren en garanderen, is geen sinecure.
Transparantie, één van de toverwoorden van de fair trade beweging, zal misschien nooit een evidentie zijn. Merken weten evenwel maar al te goed wie hun leveranciers zijn en wat ze van hen op een zo kort mogelijke termijn verwachten. Het kan een eerste stukje van een ingewikkelde puzzel vormen. Veel ketens verschuilen zich niettemin achter het excuus dat niet zij, maar enkel die leveranciers weten in welke fabriek – de merken voelen zich dus niet persoonlijk aansprakelijk, hoe strak en dus compleet onverantwoord hun deadlines ook zijn. De wet verplicht de merken niet om transparant te communiceren over hun leveranciers en dat maakt het voor grote ketens des te makkelijk om hun verantwoordelijkheid te ontlopen.

Maar in een blog fast fashion-ketens op de vingers denken te tikken, is natuurlijk naïef. Daarom: niet enkel de ketens hebben nood aan verantwoordelijkheidszin. Ook wij, consumenten, kunnen een steentje bijdragen. Door minder te kopen, zoals ik mezelf (en u, trouwe lezer) op een al even naïeve lentedag beloofde. Maar ook door vooral tweedehands en fair te kopen.
Hoewel ik mijn eigen beloftes niet ben nagekomen, heb ik de afgelopen twee seizoenen bewuster dan ooit nagedacht over kledij. Als ik iets koop, moet het zo eerlijk mogelijk zijn, nam ik mezelf bovenal voor. Die leuze heb ik, met uitzondering van dat ene jurkje uit Londen, consequent toegepast en beloof ik (ja, ik durf zowaar nog beloftes aan te gaan) zo goed of zo kwaad mogelijk te blijven toepassen. En dat niet enkel de komende vier seizoenen.

Als verantwoordelijke consument kan je tot slot ook meer transparantie eisen van overheden. De Schone Klerencampagne heeft een petitie opgezet waarin ze de Belgische regering oproept tot rapporteringsplicht. Dat zou willen zeggen dat Belgische kledingbedrijven gedwongen worden om hun verantwoordelijkheid op te nemen en de informatie te delen die nodig is om wantoestanden aan te kaarten. De politieke druk die wij als consumenten kunnen afdwingen, om zowel overheden als uiteindelijk de merken ter verantwoording te roepen, is hierbij cruciaal. Teken dus de petitie op http://www.schonekleren.be/schone-kleren/mode/218-kledingindustrie-blijft-troebel.