THE FASHION INDUSTRY

Op 24 april 2013 stortte het Rana Plaza complex in in Bangladesh. 1.138 kledingarbeidsters stierven, meer dan 2500 raakten gewond. De ramp veroorzaakte een golf van verontwaardiging want de ramp was geen toeval. Het bewees dat de mode-industrie ziek is. Die ziekte heeft een naam: Fast Fashion, het fenomeen waarbij goedkope ketens razendsnel catwalktrends kopiëren. Fotos van een modeshow worden naar een fabriek gestuurd en minder dan drie weken later liggen er goedkope kopieën in de ketens. De druk om zo snel mogelijk en zo goedkoop mogelijk te produceren, zet de hele keten onder druk. Het internationale kledingbedrijf bepaalt de prijs, en houdt daarbij zelden rekening met de reële productiekost van een kledingstuk: de arbeidskost en de milieukost. Het gevolg is een vernietigende impact op de mensen die de kleding maken en op het milieu.

De impact van de fashion industrie

Sociale impact

Systematische schendingen van mensenrechten gebeuren in een groot deel van de keten van de kledingindustrie: van de katoenboer tot de kledingarbeidster die de kleding naait. Extreem lange werkdagen, gedwongen arbeid, geen jobzekerheid, ongezonde en onveilige werkomstandigheden, discriminatie van vrouwen en extreem lage lonen vind je overal terug in de sector. Vakbonden worden in de meeste productielanden onderdrukt, dus het is voor werknemers erg moeilijk om hun situatie zelf te verbeteren. Soms worden delen van de bestelling uitbesteed aan onderaannemers, waar de arbeidsomstandigheden vaak nog slechter zijn.

De kledingbedrijven schuiven de verantwoordelijkheid nog te veel af op hun leveranciers. Maar aangezien het de grote kledingbedrijven zijn die de prijzen bepalen die ze aan hun leveranciers betalen, hebben zij wél een grote verantwoordelijkheid. Want hoe kan je goede lonen uitbetalen of je fabriek renoveren als je het hoofd nauwelijks boven water kan houden?

Er is vandaag nauwelijks wetgeving om de problemen aan te pakken. Overheden laten het over aan de bedrijven om zichzelf te controleren. Dat doen ze ook, maar de kwaliteit van zulke controles of audits varieert van goed tot totaal onbetrouwbaar. De drie laatste grote catastrofes in de kledingindustrie bewijzen dat: zowel de fabrieken in het Rana Plaza complex, Tazreen Fashions (Bangladesh, november 2012, 120 doden) als Ali Enterprises (Pakistan, september 20912, 286 doden) waren ge-audit voor de ramp.

Ecologische impact

In 2014 bedroeg de wereldwijde consumptie van textiel en kleding 73 miljoen ton. Die massaconsumptie veroorzaakt heel wat afval. Vóór de verkoop wordt er al per textielfabriek 5 tot 25% van de jaarlijkse productie weggegooid. Van de weggegooide kleding wordt maar 20% op de één of andere manier gerecycleerd. Het grootste deel van de kleding die gedoneerd wordt, wordt opnieuw verkocht in ontwikkelingslanden. De dumping van extreem goedkope kleding zorgt er dan weer voor dat de lokale kledingproductie doodgeknepen wordt.

De mode-industrie slorpt miljarden liters water op. Voor één enkel katoenen T-shirt is er 2720 liter water nodig. 17-20% van de industriële watervervuiling komt door het verven en behandelen van textiel. Er worden naar schatting 8000 synthetische chemicaliën gebruikt om van grondstoffen kleding te maken. Wasmiddelen bevatten dan weer fosfaten, die de kwaliteit van het water verminderen en algengroei doen toenemen. In de EU en de VS mogen wasmiddelen geen fosfaten meer bevatten, maar in de rest van de wereld worden ze nog volop gebruikt.

De niet-biologische katoenteelt is goed voor één vierde van het totale insecticidegebruik en 10% van de gebruikte pesticiden. Terwijl de katoenteelt maar 2,5% van de landbouwgrond inneemt. Het gebruik van al die producten ondermijnt de gezondheid van miljoenen katoenboeren.

foto2